Onlangs zag ik een foto van een grote groep toeristen die op de hellingen van de Mount Everest stond te wachten om op de bergtop selfies te kunnen maken. Ik dacht meteen aan Ilja Leonard Pfeijffer. Iets dergelijks gebeurde  toen vorige week een gigantisch cruiseschip op brute wijze de broze Venetiaanse wateren penetreerde. Zoals Vincent van Gogh mensen anders naar de natuur liet kijken, zo beïnvloedt Pfeijffer mijn blik op het toerisme. Zelden las ik een boek dat zo amuseert, maar dat tegelijk, in bloemrijke taal dat wel, de keerzijde van de westerse welvaart laat zien. En, als je Pfeijffer mag geloven; het ergste moet nog komen.

Vanuit ‘Grand Hotel Europa’, waar de schrijver onder zijn eigen naam is neergestreken om heden en verleden te overdenken, mijmert Pfeijffer over de teloorgang van zijn grote liefde en in het verlengde daarvan over het zinkende schip ‘Europa’. Een belangrijke rol in dit verhaal is weggelegd voor Venetië, de stad die de perfecte illustratie is van de problematiek die Pfeijffer schetst: de oorspronkelijke bevolking is vertrokken en de stad is verworden tot een Disneyland-uitvoering van zichzelf waar hordes toeristen elkaar verdringen en waar ze en passant kostbare kunstwerken achteloos beschadigen. De toeristen bereiken de zinkende stad met cruiseschepen ter grootte van flinke flatgebouwen. Die smerige roet-uitstotende varende paleizen, versnellen de opwarming van de aarde zodat Venetië inclusief alle kunstschatten nóg eerder onder de zeespiegel zal verdwijnen.

Een recente foto van kunstenaar Banksy sluit naadloos aan bij dit beeld. Naar verluidt had de Britse kunstenaar zich verstopt achter een krant, vermomd als straatartiest die in het kielzog van de Biënnale wilde meeliften. Ook op de schilderijen van de geëngageerde kunstenaar waren reuzencruiseschepen te zien. Banksy werd overigens door de Venetiaanse politie verwijderd, omdat hij niet was uitgenodigd, maar hij bereikt met zijn Instagram-account een veelvoud aan belangstellenden.

Banksy
Banksy

Tijdens het lezen van Grand Hotel Europa hoor je in gedachten voortdurend Pfeijffer’s sonore stem, zelfs als hij een kamermeisje aan het woord laat. De lange doorwrochte zinnen zijn merkbaar met plezier geschreven. De lezer krijgt geen enkele gelegenheid zich te vervelen, sterker nog, je zou het einde van het boek graag willen uitstellen.

De liefdesgeschiedenis tussen Ilja en kunsthistorica Clio is klassiek maar meeslepend opgeschreven. Hilarisch en pijnlijk tegelijk is het opduiken van een zekere Deborah Drimble (die met haar boezem haar initialen eer aandoet.) Een lezing van deze dame leidde tot de ontmoeting tussen Ilja en Clio, maar historica Drimble is tevens Ilja’s ex. Als ze later in de vertelling aanschuift aan het tafeltje van de geliefden en Ilja en zij telefoonnummers uitwisselen leidt dat tot de eerste grote crisis in de verhouding tussen Ilja en Clio.

Na het beëindigen van de relatie bezwijkt Pfeijffer opnieuw voor een verleidelijke vrouw. Als dit nog minderjarig Amerikaans meisje zijn hotelkamer betreedt, houdt hij voor de vorm enige afstand, maar als ze hem een van te voren ondertekende goedkeuringslijst overhandigt waarin alleen de categorie ‘anaal’ niet is aangevinkt, is er geen houden meer aan.

In een telkens opduikende Dan Brown-pastiche, waarin Ilja en Clio op zoek gaan naar een verdwenen Caravaggio, rekent Pfeijffer superieur af met het succesvolle clichématige Italiaanse speurdersgenre. Pfeijffer is ook op dreef als hij verlekkerd lijfstraffen beschrijft die hij in petto heeft voor horkerige kortgebroekte barbaren uit Nederland.

Treasures from the wreck of the unbelievable
Treasures from the wreck of the unbelievable

Ten slotte gunt Pfeijffer de lezer een royaal kijkje in de literaire keuken. De inspiratie voor deze royaal uitwaaierende roman deed hij op tijdens het bezoek aan de tentoonstelling Treasures from the wreck of the unbelievable van Damien Hirst. Even daarvoor stelde Pfeijffer nog mismoedig vast dat de moderne kunst niet meer in zichzelf gelooft. Hedendaagse schilders gebruiken verf die hooguit twintig jaar goed blijft. Ze maken hun werk niet meer voor de eeuwigheid. Maar Damien Hirst laat Pfeijffer zien hoe het wel moet. De Britse kunstenaar combineert in zijn magistrale tentoonstelling een roemrucht verleden dat hij met gebruikmaking van de beste materialen tentoonstelt. Hirst schotelt zijn bezoekers een rijk, maar verzonnen verleden voor waarmee hij laat zien dat de kracht van kunst ligt in de creatie zelf. Pfeijffer realiseert zich op dat moment wat hem te doen staat: geloven in de kracht van zijn eigen verhaal. Dat hij dat verhaal ook nog eens overtuigend vertelt, bewijst dat hij op de goede weg is.

Ilja Leonard Pfeijffer – Grand Hotel Europa. De Arbeiderspers, Amsterdam. 550 blz. € 24,99.