In april 2025 verkennen we de Belgische kust. Onze reis begint met een bezoek aan de badplaats Oostende. We bereiken het strand via het enorme Kursaal – Casino waar Marvin Gaye begin jaren tachtig de videoclip van ‘Sexual Healing’ opnam. De Amerikaanse soulzanger verbleef destijds in een appartement langs de boulevard in een poging om hier een leven op te bouwen zonder cocaïne. Dat leven eindigde tragisch: in 1984 werd hij doodgeschoten door zijn vader. Tegenwoordig treden vooral tributebands op in het Casino (Queen, George Michael, Dire Straits).

Op de boulevard treffen we een merkwaardige mengeling aan van architectuur en verval. De Venetiaanse Gaanderij, waar foto’s van fietsende muziekkorpsen zijn opgehangen, is nog wel om aan te zien, in de Koninklijke Gaanderij is het verschil tussen kunst en vandalisme niet meer te onderscheiden. Hoewel in dit gedeelte nog een keurig restaurant en een kunstcentrum zijn gevestigd, ruikt het hier nadrukkelijk naar pis. De samenhang ontbreekt jammerlijk.

De pier steekt een eind in zee en houdt de wind tegen. Een vrouw van middelbare leeftijd laat zich vanuit allerlei hoeken fotograferen door haar geduldige man. Daarna is ze nog tijdenlang bezig met het selecteren van de beste foto. Een jongen maakt een ritmisch geluid met een energydrankblikje en zingt daarbij telkens uit volle borst: ‘Y.M.C.A!’. Zijn ongecompliceerde blijheid is een verademing tussen de kromgebogen nekken van de vele telefoonverslaafden.

The Crystal Ship is een geslaagd Oostends initiatief: een stadswandeling waarbij je zo’n honderd grotere en kleinere muurschilderingen kunt bekijken. Niet ver van de boulevard bevindt zich het James Ensorhuis. De kunstenaar heeft hier een groot gedeelte van zijn leven gewoond. Zijn beroemdste schilderij ‘De intocht van Christus in Brussel’ (1889) hing lange tijd boven zijn harmonium omdat niemand het wilde kopen. Na zijn dood kreeg het monumentale werk een plek in het Casino, maar inmiddels is het één van de hoogtepunten in het J.P. Gettymuseum te Los Angeles. Het voelt als een voorrecht om door dit in authentieke staat gebleven huis te dwalen.

Op zoek naar boekhandel Corman ontdek ik het gesloten filiaal in de Wittenonnenstraat 38. De oorspronkelijke boekhandelaar, anarchist en journalist Mathieu Corman sloeg in 1937 alarm na de Duitse aanval op Guernica en inspireerde daarmee Pablo Picasso tot het maken van zijn beroemde schilderij.

Met het pontje bereiken we de oostkant van Oostende. Via een Duitse mortierbunker komen we bij een oude scheepslift in het gezelschap van een houten schip uit dezelfde periode (de jaren dertig). Op een muur heeft straatkunstenaar Leon Keer een paar enorme Delftsblauwe vazen geschilderd die niet van echt zijn te onderscheiden. We wandelen een rondje om Fort Napoleon en komen uiteindelijk weer uit bij de ‘overzet.’ In de haven ligt een reusachtig platform, dat volgens de door mijn reisgenoot gepolste toiletmedewerker is gemaakt om windturbines in zee te plaatsen.

Gegeten bij Le Basque aan de boulevard, dat vroeger Hotel Helvetia heette en tijdens het interbellum werd gefrequenteerd door Stefan Zweig en Joseph Roth die het naziregime waren ontvlucht. De laatste had een ernstig drankprobleem en Zweig deed zijn uiterste best om zijn literaire vriend zoveel mogelijk aan het werk te houden. Die inspanningen werden beloond met de meesterwerken: ‘Die Legende vom heiligen Trinker’ en ‘Die Geschichte von der 1002. Nacht’. Desondanks overleed Roth in 1939 aan de gevolgen van zijn overvloedige drankinname. Stefan Zweig pleegde in 1942 zelfmoord. Tot mijn verbazing lopen we na ons diner op het Leopold-I-plein opnieuw tegen een zaak aan met de naam Corman. Binnen verkopen ze bloemen en boeken. Ik zoek het even na en inderdaad: de boekhandel blijkt recentelijk verhuisd te zijn.

De ticketautomaat voor de kusttramlijn werkt niet en we de rijden daarom de eerste vijf haltes zwart. In Mariakerke stappen we uit om het Duinkerkje te bezoeken. Een bord langs de weg wijst in de richting van het achter de kerk gelegen graf van Ensor, dat bezaaid ligt met bloemen en bloemstukken (zijn geboortedag was 13 april 1860). In het kleine rond 1600 gebouwde kerkje zijn plafondschilderingen, heiligenbeelden en gebrandschilderde ramen te zien. Achter het hoofdaltaar hangt ‘De Ondergang van de Onoverwinnelijke Spaanse Armada’. Het zeventiende-eeuwse doek toont verdrinkende schipbreukelingen. Dit is de andere kant van het verhaal. Het kerkje is al verschillende malen in de geschiedenis gestript door barbaarse Hollanders. Dat die hier hebben huisgehouden zie je tevens terug in de waterrijke natuurgebieden in deze omgeving. Die zijn het gevolg van onderwater-gezet land. De watergeuzen deden hun naam eer aan.

De Belgen kunnen er overigens zelf ook wat van zo blijkt uit het verdwenen duinlandschap dat heeft moeten wijken voor grauwe appartementencomplexen zover als het oog reikt. ‘Het kustlijntje’ klinkt romantisch, maar we zien de zee slechts als een glimp tussen de betonnen flatgebouwen door. Zijn er dan zoveel Belgen die aan de kust willen wonen? Of zijn dit allemaal zomerverblijven? De plaatsjes waar we doorheen rijden, bieden een troosteloze en lege aanblik. Veel winkels zijn gesloten, hoewel het een normale doordeweekse dag is. Een uitzondering is Koksijde, dat er wel gezellig uitziet. We stappen uit vlak voor het eindpunt in De Panne.

Het is droog, al komt er een koude wind van zee. Op het strand zien we niet alleen karakteristieke witte huisjes maar ook enkele rood-grijs-gestreepte wagens waarin de badgasten zich tot aan de branding kunnen laten rijden. We gaan naar binnen bij Restaurant Albert I en bestellen wafels met koffie. Het personeel probeert tevergeefs een onderlinge ruzie te verbergen. Twee dingen vallen me op: de Belgische kust is kort, slechts 63 kilometer en hij loopt eerder van west naar oost (en vice versa) dan van zuid naar noord. We zitten hier dicht bij Duinkerken en dus ook bij Engeland. Toch ligt De Panne hoger dan Brussel, de kust is vrijwel geheel Vlaams.

Op de terugweg stapt een groep schoolkinderen in met twee begeleiders. Ze gedragen zich voorbeeldig, de onschuld straalt van de gezichten af. ‘Wat gaan jullie doen?’ vraag ik een paar jongens die naast me staan. ‘We gaan raften op het kanaal,’ antwoorden ze. Als ze weer zijn uitgestapt maak ik een foto van het monument bij Nieuwpoort. Het jaar 1600 (de slag bij Nieuwpoort) mag dan in mijn geheugen geëtst staan, de exacte plaats van handeling is me nu pas duidelijk. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was deze plek overigens opnieuw het centrum van het strijdtoneel.

Na Oostende wordt de route aanmerkelijk aantrekkelijker. Nadat we een eclectische brug zijn overgestoken (waarvan we opgelucht zijn dat hij het gewicht van de tram houdt), worden de huizen mooier en is er veel meer natuurschoon te bewonderen. De soms hoge duinen zijn intact gelaten. Op de markt in Blankenberge, dat er uitziet als een aardig plaatsje, stapt een hele groep sufgeshopte Britten in, die de tram verlaten bij de haven van Zeebrugge waar ze de boot naar huis nemen stel ik me zo voor. Bij Zeebrugge denk ik voornamelijk aan de ramp met the Herald of Free Enterprise, het schip dat kapseisde in 1987 omdat een bemanningslid de achterklep niet had gesloten. We verlaten de tram bij het eindpunt: Knokke-station. Het is nog een eind lopen naar het strand. Hoewel Knokke qua inwonertal slechts de helft is van Oostende, oogt de plaats veel grootstedelijker en heeft Knokke duidelijk meer allure. We scharrelen rond in een ruime boekwinkel, waar het lekker warm is. Buiten waait de koude zeewind ons weer recht in het gezicht.

Als ik een winkel wil binnenlopen waar ze oude affiches verkopen, zie ik op een bordje staan: ‘Alleen geopend in het weekend.’ Zelfs in Knokke dus. In restaurant Cambridge (sedert 1927) eten we met uitzicht op enkele bakken met tulpen. Daarachter ligt het uitgestrekte strand, waarop ook hier strandhuisjes zijn neergezet. Tot aan de horizon glinstert de Noordzee. Grote schepen varen voorbij af en toe daalt er een vliegtuig neer. ‘Zouden die tulpen echt zijn?’ vraag ik me af. ‘Ik denk het niet,’ zegt mijn medereiziger, ‘daarvoor staan ze te onnatuurlijk in het gelid in deze koude wind.’ Na een korte strandwandeling en een nadere inspectie van de bakken concludeert mijn reisgenoot echter dat we hier wel degelijk te maken hebben met levende natuur. Ook het plein voor de boulevard staat vol met bloeiende tulpen als uitbundige voorbodes van een voorjaar dat vast niet lang meer op zich laat wachten.
(wordt vervolgd)