Deze tekst wordt voorgelezen op mijn YouTube-kanaal. Daar is ook aanvullend video en audiomateriaal te vinden:
Arthur en Lucas Jussen beschouwen zijn ‘Sonate voor twee piano’s’ (1935) als de hoogste berg die te beklimmen is. Anne-Maartje Lemereis werd zo door zijn muziek geïnspireerd dat ze componist wilde worden. In de VS promoveren nog altijd muziekwetenschappers op aspecten van zijn werk. Toch wordt de muziek van Willem Pijper (1894 – 1947) in ons land zelden uitgevoerd en lijkt zijn naam vergeten. Neerlandicus en muziekwetenschapper Arthur van Dijk hoopt daar verandering in te brengen. Zijn omvangrijke en onderhoudende Pijper-biografie is de kroon op een levenslange fascinatie voor de toonaangevende componist en vlijmscherpe muziekcriticus.

De in Zeist als behangerszoon geboren Willem Pijper recenseerde muziek voor het Utrechts Dagblad. Ondanks zijn soms snoeiharde kritiek vielen die muziekessays op door hun originaliteit, humor en elegant geformuleerde duidelijkheid. Een selectie van zijn stukken werd gebundeld in De Quintencirkel (1929) en De Stemvork (1930). Tijdens het schrijven trok Pijper zich niets aan van reputaties. Hij beschouwde het als zijn plicht om muziekuitvoeringen aan een eerlijke analyse te onderwerpen. Die oprechtheid leverde hem nauwelijks vrienden op. Veel musici konden zijn bloed wel drinken. De redactie ontving met enige regelmaat brieven waarin gesmeekt werd om het ontslag van de gevreesde criticus. Zijn bekendste slachtoffer was de Utrechtse dirigent Jan van Gilse wiens prestaties hij week in week uit in vele varianten fileerde. Van Gilse maakte zich zo kwaad dat hij vergeefse pogingen deed de recensent de toegang tot de concertzaal te ontzeggen. ‘Je wilt die mensen wat leren en dan sputteren ze nog tegen ook,’ reageerde Pijper.

De krant hield haar recensent de hand boven het hoofd tot het al te gortig werd. Het Rotterdams Nieuwsblad gaf hem een nieuwe kans. Met zijn scherpe pen sneed Pijper ook in eigen vingers. Het Nederlandse muziekwereldje was klein en Pijper solliciteerde nogal eens tevergeefs naar functies waar hij wel de juiste papieren voor had. In 1930 kon hij aan de slag als directeur van het conservatorium in Rotterdam, maar veel liever was hij naar Den Haag of Amsterdam gegaan. Zijn gebrek aan enthousiasme over de havenstad bleek uit een van zijn brieven: ‘Rotterdam is geen stad om definitief te gaan bewonen, vooral die zogenaamde betere buurten zijn zo sinister.’ Toen Pijper solliciteerde als dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest werd hij opnieuw gepasseerd, die eervolle functie ging naar de beter in de markt liggende Eduard Flipse.

Pijpers Eerste symfonie (1917) zat gedegen in elkaar, maar zou evengoed door Gustav Mahler gecomponeerd kunnen zijn. Zijn Tweede symfonie (1921) was beïnvloed door Amerikaanse klassieke muziek en Cubaanse habaneraritmiek. In de Derde symfonie (1926) vond hij voor het eerst zijn eigen stem. In dit korte, maar indrukwekkende werk houden melodie en polyritmiek elkaar perfect in evenwicht. Pijpers eigenzinnigheid uitte zich in een volkomen onverwacht slotakkoord. Hij was van mening dat je na het maken van je punt geen mooiklinkende, maar nietszeggende frasen moest toevoegen.

Naast de genoemde symfonieën componeerde Pijper concerten, werken voor pianosolo en -trio, adagio’s, toneelmuziek, sonates, strijkkwartetten en vocale werken. Mede dankzij zijn internationale contacten werd zijn muziek uitgevoerd op belangrijke Europese en Amerikaanse concertpodia.
Niet alleen in de krant was hij kritisch ook in de dagelijkse omgang met anderen hanteerde Pijper een strenge meetlat. Taalfouten corrigeerde hij ongevraagd. Als iemand hem uitnodigde om te blijven eten, drukte hij zijn waardering voor het gebodene uit in een cijfer. Pijper hield van lesgeven. Meer moeite had hij met de sociale verplichtingen die zijn directeurschap met zich meebrachten. Hij omschreef zichzelf als ‘anti-maatschappelijk geïntroverteerd’.
Tijdens het bombardement van Rotterdam (14 mei 1940) verloor hij zijn huis aan de Schiekade, (ter hoogte van de huidige Simonstraat) inclusief de gehele inboedel. Pijper treurde vooral om het verlies van zijn hond. De meeste composities lagen gelukkig veilig opgeslagen in een kluis. Zo fel als Pijper voor de oorlog schreef over het dreigende gevaar van het nazisme, zo stil hield hij zich nadat de Duitsers de macht hadden gegrepen. Om de bezetting te overleven gedroeg hij zich zo onopvallend mogelijk. Hij belde zelfs naar de radio met het vriendelijke verzoek om geen muziek van hem te draaien op zijn vijftigste verjaardag .

Na de bevrijding vlamde zijn kritische geest nog eenmaal op, toen hij vernam dat ‘foute’ musici als dirigent Willem Mengelberg eerherstel ontvingen. ‘Geef Mussert dan ook maar een standbeeld,’ reageerde Pijper knorrig.
Pijper trouwde twee keer, maar was niet in staat om zich te binden aan een vrouw. Dichter Hendrik Marsman noemde hem ‘een haremhouder’, zelf gaf hij de voorkeur aan de term ‘pluralist’. Hij had liefdesaffaires met vele vrouwen, vaak met meerdere tegelijk. ‘Geen enkel huwelijk is het waard om een verhouding aan op te offeren,’ was zijn adagium.

Zijn christelijke opvoeding liet hij na het bestuderen van de geschriften van Freud en Nietsche al vroeg achter zich. Op latere leeftijd sloot hij zich aan bij de Vrijmetselaarsorde. Naar eigen zeggen bood deze selecte mannenomgeving hem de gelegenheid om afstand te nemen tot ‘het tuig’ waarmee hij gedwongen was dagelijks om te gaan.
Jarenlang werkte hij met schrijver en in dit geval librettist Simon Vestdijk aan de opera Merlijn, die uiteindelijk onvoltooid bleef. ‘De hoogbegaafde componist, de scheppende geest bij uitnemendheid was gedwongen zich met leerlingen te omringen, een conservatorium te beheren en eindeloos gezanik aan te horen,’ verklaarde Vestdijk Pijpers geringe vorderingen.

Op 18 maart 1947 stierf Pijper op 52-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker. De componist werd postuum geëerd met een cartouche waarop zijn naam in gouden letters was geschreven op het rechtervoorbalkon van het Concertgebouw. Enige jaren later verbleekte zijn ster alweer. Reinbert de Leeuw en andere muziekvernieuwende ‘Notenkrakers’ spraken in de jaren zestig met dedain over Pijper, die hopeloos ouderwets zou zijn. Later in zijn leven herzag De Leeuw zijn mening, maar het kwaad was al geschied.

De biografie gaat vooral in op het leven van Pijper, die als componist begaafd, als recensent dwangmatig eerlijk en als mens gecompliceerd was. Van Dijk laat de bespreking van de 104 composities over aan anderen. Na het verzamelen van Pijpers brieven (In het licht van de eeuwigheid, 2016) en het selecteren van de beste essays (Het papieren gevaar, 2011) is dit driedelige monument voltooid.
Af en toe is Pijpers muziek weer te horen op de podia. Het is de hoogste tijd dat het oeuvre van deze bijzondere Nederlandse componist met de techniek van nu wordt vastgelegd. Arthur en Lucas Jussen, die een prachtige uitvoering van Pijpers ‘Sonate voor twee piano’s’ opnamen (Dutch Masters, 2022), verdienen navolging.